ARCHITECTUUR


1. Doctoraat kort

    Naar een nieuwe Houtskeletbouwwijze
    Van wereldbeeld tot bouwmethode;
    bijdrage tot humaan-ecologisch bouwen

1.1 Achterflap doctoraat

1.2 De inhoud op verhalende wijze

We houden eraan dit proefschrift te introduceren met twee citaten : “..... er bestaat een neiging om te vergeten dat alle wetenschap verbonden is met de cultuur in het algemeen, dat alle wetenschappelijke ontdekkingen, hoe vooruitstrevend en esoterisch en ingewikkeld ze op het moment zelf ook mogen lijken, betekenisloos zijn buiten hun culturele context. Een theoretische wetenschap die niet beseft dat haar meest relevante en belangrijke constructies uiteindelijk uit zullen kristalliseren in begrippen en in woorden die vat hebben op de ontwikkelde laag van de bevolking en een wezenlijk onderdeel zullen worden van het algemene wereldbeeld - een theoretische wetenschap, beweer ik, waar dit vergeten wordt, waar de ingewijden tegen elkaar blijven mijmeren in een taal die op haar best slechts voor de kleine groep vakbroeders begrijpelijk is, een dergelijke wetenschap zal noodzakelijkerwijs geïsoleerd raken van de rest van de cultuur ; op den duur zal zij wegkwijnen en verkalken, hoe levendig en esoterisch de experts ook blijven kijven in hun gezellige clubjes.” (1)
1. Citaat: Erwin Schrödinger (nobelprijs natuurkunde). Bron: Ilya Prigogine en Isabelle Stengers ‘Orde uit chaos’ - De nieuwe dialoog tussen de mens en de natuur. Uitgeverij Bert Bakker Amsterdam 1988. Blz.46.

“We leven in een tijd van toenemende specialisatie en daar zijn uitstekende redenen voor. De mensheid komt steeds meer aan de weet over elk afzonderlijk onderzoeksgebied en naarmate de specialismen zich ontwikkelen, zijn ze geneigd zich op te delen in verschillende subspecialismen. Dat proces speelt zich telkens opnieuw af en het is zowel noodzakelijk als wenselijk. Er is echter ook een groeiende behoefte om specialisatie aan te vullen met integratie. De reden daarvoor is dat complexe, niet-lineaire systemen niet adequaat kunnen worden beschreven door ze op te delen in subsystemen of in afzonderlijke, vooraf gedefinieerde aspecten. Als men die subsystemen of aspecten afzonderlijk bestudeert - hoe nauwgezet men dat ook doet - en de resultaten achteraf samenvoegt, leveren die geen bruikbaar beeld van het geheel op. In die zin bevat het oude gezegde - het geheel is meer dan de som der delen - een diepzinnige waarheid. We moeten dus af van het idee dat serieus onderzoek zich zou beperken tot het samenpersen van een duidelijk omlijnd probleem binnen een smalle discipline, terwijl breed, integrerend denken zich alleen mag afspelen tijdens cocktailparty’s. Zowel in de academische wereld als in bureaucratieën en elders stuiten we op een gebrek aan respect voor de noodzaak van integratie.” (2)
2. Citaat: Murray Gell-Mann (nobelprijs natuurkunde). Bron: Murray Gell-Mann ‘De Quark en de jaguar’ - Avonturen in eenvoud en complexiteit. Uitgeverij Contact Amsterdam/ Antwerpen 1994. Blz.347.

Het is duidelijk dat het huidig wereldbeeld meer gekleurd is geraakt met het inzicht van de belangrijkheid van het ecologisch evenwicht. Het begrip ‘duurzaam bouwen’ kreeg een meer holistische draagwijdte. Waar ‘duurzaam’ van oudsher ‘weinig vergankelijk’ betekende kreeg het woord - dankzij het Nationaal MilieubeleidsPlan (N.M.P.89 - Nederland) in 1989 - een betekenis die meer getuigde van een integratie van vele wetenschappen naar de bouwkunde toe. ‘Duurzaam’ betekende hoe dan ook: de toekomst van onze wereld zoveel mogelijk vrijwaren van milieu-problemen, zodanig dat onze planeet zo min mogelijk aan vergankelijkheid te lijden heeft. Architectuur (3) als verwerkelijking van een heersend wereldbeeld is de gebouwde veruiterlijking van de culturele evolutie. Dit betekent echter tezelfdertijd dat architectuur het vigerend wereldbeeld kan beïnvloeden en dat dus architecten en constructeurs een belangrijke humaan ecologische rol spelen als specialisten in het uitbeelden van een holistische visie op het leven.Door de begrippen ‘eenvoud’ en ‘complexiteit’ gedetailleerd te beschouwen, kunnen we een duidelijker beeld krijgen op de verbanden die ons toelaten alle verschijnselen in de natuur - zowel de meest eenvoudige tot de meest complexe - met elkaar in relatie te brengen.
3. ‘Architectuur’ is hier te lezen als ‘bouwkunde en bouwkunst’ als samengevoegde begrippen. Het moet immers als onverantwoord worden beschouwd dat deze begrippen een eigen leven leiden.

‘Regelmatigheid en chaos’ in de natuur en ‘rationalisatie en flexibiliteit’ in de architectuur zijn de vertalingen van de fundamentele begrippen ‘eenvoud en complexiteit’ waarvan we de juiste betekenis moeten zien te vinden, om verantwoorde duurzame bouwwijzen te kunnen ontwikkelen. Het is merkwaardig hoe bovendien het begrip ‘onvolmaaktheid’, in relatie met het fysisch begrip ‘onzekerheid’, een brug legt of een ‘overgang’ maakt tussen eenvoud en complexiteit en daardoor juist in de meest essentiële zin onmisbaar is voor het leven. Duidelijk binnen het gebied van de onvolmaaktheid situeert zich de overgang, die zo bepalend is voor de variatierijkdom van de natuur. In een eerste hoofdstuk worden eerst ‘het minimumbeginsel’ in de natuur en haar aanverwante begrippen zoals ‘symmetrieprincipes’ in hun relatie met de bouwkunde behandeld. De natuur blijkt immers een merkwaardig economisch principe te hanteren, dat ook bij de architecten Antonio Gaudi, Buckminster Fuller en Frei Otto niet onopgemerkt is gebleven. Ook wordt onderzocht hoe vormen in de natuur tot stand komen en wat het verband is met de ‘regelmatigheden’ (quantisatie) en ‘onzekerheden’ op quantumfysisch niveau. De hefboomfunctie uit de klassieke mechanica (die bij de nieuwe houtskeletbouwwijze en de bouwknoop een elementaire rol speelt) wordt op een vernieuwende manier bekeken; namelijk als een verborgen symmetrie en in relatie met een ‘quantumachtige mechanica’. Uit het tweede hoofdstuk blijkt immers dat quantisatie op het allerkleinste niveau of dus de kleinste quantumfysische gebeurtenis, ook een belangrijke rol speelt bij de functie van alle complex adaptieve systemen (alle niet-evenwichtssystemen of dus de levende wezens), in de manier waarop ze op hun omgeving en op elkaar inwerken en zich aanpassen. Bij elke communicatieve stap worden er namelijk regelmatigheden gelezen. In een derde hoofdstuk wordt het oud wereldbeeld onderzocht en een aanzet gegeven tot een nieuwe visie. Er worden lessen getrokken uit de ondergang van de Maya-beschaving; de werking van een maladaptief schema. Dan komt de relatie aan bod tussen etnobotanie en humane ecologie. De begrippen schoonheid en wereldbeeld worden toegepast op architectuur. Specifiek worden het Indisch en Egyptisch model onderzocht. Het vierde hoofdstuk bekijkt de wijze waarop mensen op architectuur reageren. De manier waarop hun geluk mede bepaald wordt door hun manier van wonen en werken - al of niet in evenwicht met hun persoonlijkheidsstructuur - is namelijk bepalend voor hun psychische en dus ook voor hun fysische gezondheid. In dit verband worden dan ook vervolgens wetenschappelijk- natuurfilosofische en psychologische beschouwingen gemaakt, in relatie met het axioma dat de natuur gequantiseerd is, om zo deze problematiek duidelijk in kaart te brengen. De nieuwe integrerende factor (het kleinste minimumbeginsel) voor architectuur en haar bouwwijze wordt hier voorgesteld als een ‘ruimte- actie’ en wordt geformuleerd als een ‘kleinst begrensde hoeveelheid onzekerheid’. In relatie met de inzichten uit het oud wereldbeeld zal deze factor ons nieuw wereldbeeld helpen vormgeven, waardoor de archetypische voorwaarden voor architectuur en haar bouwwijzen met nog meer duidelijkheid kunnen worden gepresenteerd. Vervolgens in een vijfde hoofdstuk wordt de weg voorbereid naar een nieuwe bouwwijze. Inzichten in rationalisatie en flexibiliteit binnen een bouwkundige context worden op een originele wijze uitgewerkt. Hierbij wordt ten dele het onderzoek dat aan de technische universiteit Delft heeft plaats gehad, binnen de werkgroep ‘Open Bouwen Ontwikkelings-Model’ (OBOM) onder leiding van prof. Age van Randen (in navolging van prof. Habraken), vergeleken met de Belgische zienswijze. Een geselecteerd aantal bouwsystemen werd kritisch beschouwd, zowel op hun adequaat gebruik van de kennis van de houtanatomie en -technologie, als op hun kwaliteiten op het vlak van rationalisatie en flexibiliteit en hun toepasbaarheid naar het het drager inbouwconcept toe. De bruikbare conclusies werden hier weerhouden. Volledigheidshalve werd er op wereldschaal octrooi-onderzoek verricht. Dit alles samen zal ons namelijk leiden tot een nieuw wereldbeeld en een aantal ‘verrijkte eigenschappen’ van de natuur, die als wezenlijke fundamenten (archetypische voorwaarden) voor het ontwerpen van bouwwijzen, in relatie met architectuur in het algemeen, kunnen worden aangewend. Dit ‘begrippenkader’ (de archetype-matrix) kan beschouwd worden als een werkvlak waarmee of van waaruit verantwoord kan worden ontworpen. Tenslotte wordt één van de mogelijke praktijkgerichte antwoorden geformuleerd onder de vorm van een houtskeletbouwwijze, die gebaseerd is op een fundamenteel nieuw inzicht t.o.v. het bouw-economisch en duurzaam toepassen van hout in relatie met eisen van stabiliteit en vormvastheid; namelijk door toepassing van het ‘Vierendeelprincipe’ (4) op houtachtige materialen. Hierbij wordt een ‘open detail’ gehanteerd die een buigstijve (rotatiestijve) knoop vormt. De eenvoud (geen houtbewerkingen) waarop deze stijfheid in de bouwknoop wordt bereikt, is van groot belang ten aanzien van de haalbaarheid op de markt. De afbouwtechnische voordelen die de bouwwijze biedt, in combinatie met haar poëtische kracht, maakt haar tenslotte uniek.
4. De Belgische professor Vierendeel ontwikkelde staal- en betonliggers (in een raamwerkformatie) met verstijfde hoeken en ontwikkelde daardoor stijve liggers waarbij gegeven de geometrie (vierkante en/of rechthoekige openingen), een maximale hoeveelheid materiaal kon worden uitgespaard. (Dit als men er van uit gaat dat diagonale verbindingen ongewenst zijn).

1.3 Structuur van het proefschrift

De inhoud van hoofdstuk 1 ‘grondslagen voor nieuwe bouwwijzen’ is in concluderende zin vastgelegd, met verwijzingen naar de bijhorende afgeleide eigenschappen van de natuur. Het geheel wordt hierdoor zeer overzichtelijk. De doorlopende tekst, figuren, citaatverwijzingen en de gedeop een originele wijze werkt. e tisch inbouwconcept toe. De bruikbare conclusies werden hier weerhouden. geselecteerd Volledigheidshalve werd er op wereldschaal octrooi-onderzoek verricht. tailleerde voetnoten bevinden zich in de bijlage (boek deel 2).

1.4 Defenities

Definities: eigenschappen van de natuur / afgeleide archetypes voor architectuur en haar bouwwijzen.

Alle afgeleide archetypes (oerbeelden) vinden hun oorsprong in de natuur, maar deze natuurbeelden zijn inhoudelijk gedetailleerd, verdiept en verrijkt aan inzichten, zodat ze gevormd zijn tot noodzakelijke, zoniet bruikbare archetypische voorwaarden voor architectuur en haar bouwwijzen. Elk afgeleid archetype wordt bepaald door twee begrippen, die samen verwijzen naar één thema. Het archetype blijkt zowel uit de dualiteit als uit de samenhorigheid van beide begrippen.

De eerste en alles overkoepelende eigenschap van de natuur heb ik omschreven als ‘holistisch-verdeeld’. Deze eigenschap staat voor het feit dat in de natuur alles met alles is verbonden dankzij een ‘minimum- optimum beginsel’; een ‘eerste gebeurtenis’ of een ‘kleinste actie’ die echter door de mens ook als elementair deeltje gelezen wordt. Het afgeleid archetype ‘UNIVERSEEL-REGIONAAL’ / wereldbeeld wijst echter op het belang van de versmelting tussen beide wereldbeelden: het samenbrengen dus van het objectief, wetenschappelijk onderbouwd, wereldbeeld met het meer subjectief, regio- en religiegebonden wereldbeeld. Dit archetype heeft dus flexibele, dynamische en evolutieve eigenschappen. Het kijkt naar wat alle mensen met elkaar verbindt (eenheid) en wat ze uniek maakt (verscheidenheid). Het legt het verband tussen wereldbeeld, levenswijze en bouwwijze, wat uitermate fundamenteel is voor een verantwoorde architectuur.

De tweede eigenschap van de natuur heb ik omschreven als ‘duurzaam- evenwichtig’, omdat de natuur (de wereld, de kosmos), om te kunnen blijven voortbestaan, steeds een nieuwe evenwichtssituatie opzoekt, die echter niet per definitie bevorderlijk is voor menselijk leven. Nu de mens een dominante rol speelt, moet de wereld echter beschermd worden in functie van het voortbestaan van de mensheid. Het afgeleid archetype ‘HUMAAN-ECOLOGISCH’ / bouwwijze slaat op alles wat met het ‘verbouwen’ van de natuur te maken heeft, zoals de ontwikkeling van techniek, landbouw en architectuur. Dit archetype genereert algemene regels voor de bescherming van de gehele aarde en de mensheid. Juist omwille van het humaan karakter moet dit archetype echter ook ruimte laten voor tijdelijke, plaatselijke en persoonlijke gebruiken en noden. Daarom moet het steeds bevrucht worden door de meest recente holistische denkbeelden, zoals bijvoorbeeld het inzicht in het belang van culturele en mentale duurzaamheid.

De derde eigenschap van de natuur ‘onvolmaakt-biodivers’ slaat op de relatie tussen ‘onvolmaaktheid’ en ‘biodiversiteit’. Twee begrippen die in de natuur zo fundamenteel met elkaar zijn verbonden. De schoonheid van de biodiversiteit is namelijk gebed in de onvolmaaktheid van het leven. Het afgeleid archetype ‘AFWIJKEND-DIVERS’ / levenswijze maakt daarom een positieve interpretatie van het begrip onvolmaaktheid, alsof de afwijkingen van de natuur noodzakelijke varianten zijn, die de schoonheid van de biodiversiteit helpen bepalen. Dit archetype dwingt ons tot respect voor ‘het anders-zijn’ op zowel fysisch als psychisch vlak. Het maakt begrippen als drempel, overgang, benadering en poëzie tot onmisbare architectuurfenomenen.

De vierde eigenschap van de natuur ‘circulair-cyclisch’ slaat op het thema patroon. Het eerste begrip ‘circulair’ slaat op het ontstaan van gebogen vormen, het tweede ‘cyclisch’ op de repetitie van gebeurtenissen zoals de beweging van de hemellichamen of bijvoorbeeld de vervalprocessen van elementaire deeltjes. Het afgeleid archetype ‘VORMEND-REPETEREND’ / patroon wijst op de inhoud van het thema ‘patroon’: ‘een geheel van gegevens dat inzicht geeft in een bepaalde situatie’. Het thema patroon speelt een zeer belangrijke rol in de architectuurtaal. Het legt het verband tussen de architecturale vormen en het wereldbeeld. Het ligt aan de basis van elke architectuurstijl.

De vijfde eigenschap van de natuur ‘minimaal - optimaal’ slaat op het thema (‘minimum-optimum’) beginsel. Het begrip ‘minimum’ slaat op het kleinste (minimaal slaat op ‘zeer klein’). Het begrip ‘optimum’ slaat op het beste resultaat (optimaal slaat op ‘zeer goed’ resultaat). Het thema ‘beginsel’ verwijst naar het ontstaan van alles of dus van het heelal, het heeft dus ook een mystieke dimensie. Het afgeleid archetype ‘MINIMAAL-OPTIMAAL’ / beginsel geeft een verwijzing naar ‘van waaruit alles begon’. Het blijkt het integrerend principe te zijn in de natuur dat alles met alles verbindt en dat dus aan de basis ligt van alle andere archetypes. We maken duidelijk dat dit beginsel tevens als integrerend principe kan doorgaan voor architectuur en haar bouwwijzen. Het ‘minimaal-optimaal beginsel’ verwijst naar een ideale situatie. Bijvoorbeeld een minimale oppervlakte voor een bepaalde overspanning en/of een minimaal materiaalverbruik in relatie met een optimaal krachtenverloop. Een minimumbeginsel kan ook in relatie staan met een maximumbeginsel; bijvoorbeeld bij een gegeven opppervlak bezit de cirkel de grootste oppervlakte binnen de kortste omtrek of bijvoorbeeld het ontstaan van het heelal uit een kleinste ‘ruimte-tijd’ en een maximale energie-hoeveelheid. Uit dit archetype blijkt bijvoorbeeld duidelijk het belang van symmetrie en evenwicht in de architectuur en haar bouwwijzen. Langs de behoudswetten legt dit archetype tevens de link met de thema’s hefboom en moment. Hier ontwikkelen we een optimale bouwwijze (toepassing van alle archetypes samen) ten aanzien van minimaal (houtachtig) materiaalverbruik.

De zesde eigenschap van de natuur ‘ordelijk-chaotisch’ slaat op het thema fenomeen. Het is het verschijnsel dat aan de basis ligt van alles wat leesbaar is in de natuur, zoals de dualiteit ‘eenvoud en complexiteit’. Het ‘orde-chaos’ / fenomeen staat in rechtstreeks verband met het eerste ‘minimum-maximum’ / beginsel bij het ontstaan van het heelal. Het afgeleid archetype ‘SAMENHOREND-CONTRASTEREND’ / fenomeen verwijst naar het feit dat alle duële begrippen die op een vorm van contrast duiden, ook bij elkaar horen en juist in hun samenhorigheid het archetype bekrachtigen en dus zingevend werken. Het bestaan van de complementaire kleuren en de ‘tweeling-fenomenen’ bij architect Aldo Van Eyck zijn hiervan duidelijke voorbeelden.

1.5 Wat nieuw is in dit onderzoek

Dit onderzoek is op de volgende vlakken vernieuwend:
- Ten eerste door de holistische opvatting en dus het leggen van verbanden tussen vele wetenschappen en de bouwkunde en het ruimer begrip architectuur. (1) Deze relaties leiden tot een nieuw wereldbeeld en de daaruit afgeleide zeer fundamentele archetypische voorwaarden, die zowel toepasbaar zijn op het niveau van de bouwknoop (het detail), de structuur en het gebouw als tot op het ‘stedenbouwkundig - milieu’ niveau. (Deze relaties zijn herkenbaar gemaakt bij de conclusies. Deze verwijzen naar een onderdeel van de archetype-matrix waar het verband met de nieuwe bouwwijze duidelijk wordt.)
1.
   a. Hoofdzakelijk fysica in relatie met wiskunde.
   b. Biologie in relatie met chemie.
   c. Etnobotanie in relatie met geneeskunde.
   d. Wetenschaps- en natuurfilosofie.
   e. Psychologie in relatie met filosofie.
   f. Humane ecologie.
   g. Archeologie in relatie met antropologie en etnologie.
   h. Bouwkunde in relatie met architectuur en stedenbouw.
   i. Houtanatomie en technologie in relatie met bouweconomie.


- Ten tweede is de ontwikkeling van de nieuwe houtskeletbouwwijze, als bouwkundig antwoord op de vraagstelling, door het ‘Nieuwheidsonderzoek’ als inhoudelijk nieuw beschouwd. Bij het aanwenden van dit type buigstijve knopen komen, zowel bij een verticale belasting als bij een gecombineerde horizontale (wind) belasting parallel met de wand, de grootste krachten in de kolommen terecht. Bij toepassing van dergelijke structuurwanden is er minder plantaardig materiaal nodig dan bij de bestaande houtskeletbouwsystemen. Door het feit dat de stijfheid van de knopen niet afhangt van wrijving heeft de bouwwijze een humaan-ecologische meerwaarde. Europees octrooi : nr. 90200796.2. (München)

- Ten derde werd er (in de marge) (2) een allerkleinste minimumbeginsel (‘ruimte-actie’) geformuleerd, als antwoord op de suggesties van Maupertius, Helmholtz, Planck, Rutherford, Soddy, Einstein, Eddington, Dirac, Hawking, Hartle, Gell-Mann, …. : de op te sporen kleinste actie. - De eenheid van de kleinste actie was reeds lang gekend, namelijk de constante van Planck. De kleinste actie zelf echter bleef de grote onbekende. - Deze vormt een subtiele sleutel, namelijk een regelmatigheid die zowel aan de basis ligt voor het ontstaan van optimale vormen bij de ‘dode materie’, als bij het uitwisselen van informatie’ tussen alle complex adaptieve systemen; ‘de levende wezens’. Met andere woorden het is precies deze invariante (waarbinnen alle quantumfysische variaties mogelijk zijn) die zowel de grondslag (de nieuwe integrerende factor dus) vormt voor de opbouw van het nieuwe wereldbeeld en de daaruit afgeleide archetypische voorwaarden voor architectuur en haar bouwwijzen, als het diepgaand verband legt met de toepassing van het aangewende hefboomprincipe bij de nieuwe bouwwijze (zie Nota Bene bij hoofdstuk 1.1.10 ‘verbroken of verborgen symmetrieën’).
2. ‘In de marge’ betekent hier dat het niet tot het hoofdopzet van dit onderzoek behoorde om een wiskundige formulering te geven voor de ‘kleinste actie’, maar dat het wel tot het doel behoorde om dit begrip te verduidelijken in haar verband met ‘wereldbeeld en bouwwijze’.

- Dit zeer verfijnd inzicht duidt echter ook op de ongrijpbare complexiteit waarmee mensen door hun (gebouwde) omgeving worden beïnvloed en door de tijd heen zelfs genetisch worden bepaald. Het helpt ons bovendien inzien hoe architectuur en haar bouwwijzen een concrete rol kunnen spelen ter ondersteuning van de wereldvrede. - Een ontwerper doet geen onschuldige ingrepen, zijn verantwoordelijkheid is overduidelijk en van het grootste belang. - Nota Bene: Octrooien zijn bedoeld om uitvindingen te beschermen. Wat voor octrooiering in aanmerking komt is een vinding die voldoet aan drie inhoudelijke vereisten: nieuwheid, inventiviteit en industriële toepasbaarheid. Iets is niet nieuw wanneer het al ergens ter wereld openbaar is gemaakt. ‘Inventief’ betekent dat het nieuwe idee voldoende moet verschillen van bestaande dingen. Het mag voor iemand met kennis van zaken, de vakman, niet voor de hand liggen als de oplossing van een bepaald probleem. (3)
3. Natuur en Techniek, Wetenschapsmagazine, 70ste jaargang juli/augustus 2002. Blz.78 (Regels van het patentrecht; Van Wezenbeek).

Het feit dat ook vakmensen het nut van de specifieke configuratie van de aangewende bouwknoop niet doorzien (momentopnemend en niet scharnierend), ligt tendele in het feit dat ‘de intrinsieke structuur van de visuele ruimte projectief is’. Dr. Stijn Oomes die promoveerde in de cognitiewetenschap te Nijmegen stelt dat de omgeving door de mens niet vervormd wordt waargenomen, maar dat het brein sommige metrische aspecten simpelweg niet representeert. (4)
4. Idem. Blz.70 (‘Het ruimtelijk oog’.)

1.6 Stellingen

1.7 Archetypes



1.8 Tussenconclusies

-
Het eerste hoofdstuk ‘Minimumbeginsel in de natuur’ legt een duidelijk verband tussen de dode materie en de levende wezens. Langs het onderzoek naar de ‘volmaaktheid’ van een vorm (cirkel-bol), de behoudswetten (de onveranderlijke dingen in de natuur), symmetrieën en verborgen symmetrieën komen we tot het belang van de schroeflijn (spiraalvorm) bij de levende (en bewegende) wezens en de structuur van het DNA. We zien in dat de natuur, waar stabiliteit primeert, excentriciteit vermijdt en patronen ontwikkelt waarbij bepaalde hoeken een belangrijke rol spelen; 120°, 90°. (Vergelijking tussen bellenschuim en straaldiertjes.) Bovendien zien we in dat we achter elk verschijnsel in ons heelal een maximum- of minimumregel kunnen vinden en dat wanneer er in de natuur ergens een verandering plaatsvindt, de hoeveelheid actie die voor deze verandering noodzakelijk is, zo klein mogelijk zal zijn. Zo zien we de frappante gelijkenis tussen enerzijds de minimaaloppervlakken en omwentelingsoppervlakken en anderzijds de eencellige organismen. Het holistisch karakter van de natuur (eigenschap 1) komt duidelijk tevoorschijn: alles is met alles verbonden dankzij het minimumbeginsel in de natuur (het beginsel van kleinste werking)(eigenschap 5). Behoudswetten en minimumprincipes zijn fundamenteel verbonden in de kleinste actie. Het behoud van impulsmoment legt de link met het hefboomprincipe. Het merkwaardig karakter van verborgen symmetrieën komt te voorschijn. We ontdekken een nieuwe verborgen symmetrie van verborgen symmetrieën danzijk het beschouwen van een balans; namelijk een verband tussen de bouwmechanica (hefbomen), de speciale relativiteitstheorie en de quantummechanica. Dit leidt tot de nieuw geformuleerde ruimte-actie (Deze ‘ruimteactie’ is zowel een minimumprincipe als een behoudswet en impliceert de equivalentie tussen energie en ruimte).

Dit versterkt nog eens het inzicht dat de natuur holistisch werkt en dus archetype 1 of dus de noodzaak van holistisch denken: de variatierekening toont aan dat wis- en natuurkunde onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Wiskunde werd dan ook een niet weg te denken deel van onze cultuur en werd een belangrijke hulp voor het vormen van wereldbeelden.

In dit hoofdstuk tonen wij aan dat de behoudswetten, de symmetrieën en de verborgen symmetrieën het ultieme minimumbeginsel of de kleinste ruimte-actie laten ontstaan, de integrerende factor bij uitstek is voor het holistisch karakter van de natuur. We krijgen aldus ook inzicht in de relatie tussen een ideaal krachtenverloop in een bouwstructuur en de minimumbeginsels in de natuur (archetype 5).

-
Inzicht in de begrippen quantisatie, onzekerheid, niet-lineair systeem en het inzicht in het feit dat juist door het bestaan van een kleinste actie, de tijdsasymmetrie in elke botsing van elementaire deeltjes niet in de bewegingsvergelijkingen van de mechanica besloten ligt, vormen de basis van het inzicht in onomkeerbaarheid en onderstrepen het belang van de integratie van tijdsverloop. Darwin concludeerde reeds dat ‘niet-evenwicht’ orde uit chaos doet ontstaan. Bij de levende wezens ontdekken we unieke combinaties van quantisatie, minimumprincipes en patronen die een regelmatigheid aangeven op een zeer divers schaalniveau. Het groeiproces van een levend wezen is geen simpel antwoord op basisnatuurwetten. Daarnaast passen alle levende wezens en dus de mensen zich continu aan aan hun leef- en woonomgeving volgens de werkwijze van een complex adaptief systeem: hierbij worden bij elke communicatieve stap regelmatigheden gelezen. ‘Bij het lezen gaat het levend organisme over tot het identificeren van nieuwe regelmatigheden en het comprimeren van deze gegevens. Terwijl het organisme geconfronteerd wordt met de werkelijkheid, gedraagt het zich volgens zijn ingebouwd programma, namelijk volgens het schema dat voorspellingen kan doen. Het schema wordt dan (bij die confrontatie) opnieuw naar waarde geschat volgens de overlevingskansen van het organisme.’ Het verschijnsel ‘complex adaptief systeem’ legt namelijk het verband tussen de kleinste regelmatigheid of (zoals hier geformuleerd) ‘kleinste ruimte-actie’ en alle communicerende en voor selectiedruk gevoelige levensvormen.

We komen tot het belang van de gevoeligheid waarmee de gebouwde omgeving inspeelt op de zich steeds wijzigende maatschappijstructuren.

Het blijkt nu echter in de biologie voor te komen dat er zelfs genetische mutaties optreden als reactie op een behoefte of uitdaging (confrontatie met de werkelijkheid). Al wordt het genotype bij een dergelijke ervaring meestal niet rechtstreeks getoetst, dit gebeurt dan wel langs fenotypische weg. Menselijke emoties en dus ook de wijzen waarop mensen willen wonen en dus bouwen, zijn bovendien in absolute zin nooit rationeel te vatten. Dit betekent dat bouwwijzen ondersteunend moeten werken voor het creëren van een vrije architectuur. De gevoeligheid immers waarmee de mens op zijn omgeving reageert (de invloed op zijn gedrag), eist hoe dan ook een holistische benadering voor architectuur en haar bouwwijzen en genereert archetype 1, ‘universeel - regionaal wereldbeeld’.

De twee noodzakelijke voorwaarden voor het ontstaan van een ‘bevroren voorval’ zijn: enerzijds het bestaan van een kleinste regelmatigheid (quantisatie) onder de vorm van een kleinste actie en anderzijds het fenomeen toeval dat er definitie deel uitmaakt van de geschiedenis en de biologische evolutie. (Fossielen van schelpen bijvoorbeeld vertonen bijna allemaal dezelfde draairichting.)

In de biologie kennen we als vorm van co-evolutie, naast symbiose, onder andere ook het type van ‘offensief-defensief competitie’. Hierdoor krijgen we inzicht in de fascinerende band die er bestaat tussen de absolute onvolmaaktheid van het leven en de steeds groeiende biodiversiteit (eigenschap 3). De biologische evolutie gaat ook frequent gepaard met het fenomeen van ‘onderbroken evenwicht’ (spontane verstoring van symmetrie). Een doorgangsgebeurtenis of doorbraak kan dan het gevolg zijn (zoals bij het ontstaan van DNA). Zo’n doorgangsgebeurtenis kan soms tot stand komen ten gevolge van het fenomeen ‘drift’ (de neiging van ‘genomen’ om in de loop der tijd geleidelijk te veranderen met als gevolg dat kleine wijzigingen in het genotype een belangrijk fenotypisch gevolg kunnen hebben). Die levensdrift leidt tot een ongelooflijk rijk leerproces bij de dieren en tot de uitdaging voor het maken van bewuste keuzes en creatief denken bij de mens.

In dit hoofdstuk hebben we tezelfdertijd enerzijds duidelijker kunnen inzien dat er beïnvloeding is van architectuur op de mens en anderzijds hoe die beïnvloeding werkt, namelijk door het lezen van regelmatigheden die op zich onderbouwd zijn door het allerkleinste minimumprincipe of ‘de kleinste ruimte-actie’.

-
Levende wezens kunnen regelmaat uit willekeur onderscheiden door op een bepaalde manier gegevens te lezen. We onderscheiden diverse vormen van aanpassing zoals het niveau van de perfect adaptieve schema’s, die we bijvoorbeeld terugvinden bij glimwormen aan het tropische mangrovebos van Maleisië. Deze diertjes kunnen namelijk hun lichtpulsen onmiddellijk aanpassen aan deze van de glimwormen die reeds op een boom aanwezig zijn. Dan is er het niveau dat gepaard gaat met veranderingen in het schema, zoals geleerd gedrag bij dieren en cultuuroverdracht (‘cultuur-DNA’) bij menselijke samenlevingen, die ontstaan tengevolge van groepsaanpassing. Een derde niveau van adaptatie ligt op het niveau van ‘survival of the fittest’. Een mooi voorbeeld is de ondergang van de klassieke Maya-beschaving. De inzichten die we hierdoor hebben gekregen maken duidelijk dat de val van onze huidige wereldmaatschappij wel degelijk mogelijk is. Overigens zijn er voldoende parallellen: de vernietiging van de regenwouden, de groeiende competitiegeest, de dalende levensstandaard voor veel mensen en vooral het blind geloof in de ontwikkeling van de technologische evolutie. Vele huidige stedenbouw (en haar architectuur) die een maatschappijspiegelende functie heeft, werkt bovendien als de katalysator van een dergelijke maatschappijval. Dit wijst ons op het belang van het holistisch denken (archetype 1: ‘universeel - regionaal wereldbeeld’) om een dergelijke catastrofe te vermijden.

Dit betekent ook dat de instandhouding van elke authentieke cultuur, inderdaad uiteindelijk zal afhangen van ons vermogen om een regionale cultuur voort te brengen, die in staat is vreemde invloeden op te nemen, zonder dat deze hierbij haar eigenheid verliest. Rekening houden met ‘de plek’ heeft onder andere altijd ingehouden dat men respect opbracht voor de plaatselijke plantengroei of dus voor de belangrijke relatie die er bestond tussen volkeren en planten, met andere woorden voor ‘de etnobotanie’. Dit alles vraagt naar een goed uitgewerkt wereldbeeld, op welke basis we kunnen uitmaken op welke manier we de volkeren, die nog in harmonie leven met hun omgeving, kunnen begeleiden in hun beschavingsproces. Dit wereldbeeld kan echter ook aangewend worden om stilaan maar zeker aanpassingen te verrichten in de meer ontwikkelde gebieden, zodanig dat deze moderne maatschappijen zich opnieuw meer en meer die kwaliteiten eigen maken die tenslotte aan de gehele mensheid en de wereld ten goede komen.

Het inzicht dat de enorme variatierijkdom aan planten en dieren een zo belangrijke rol speelt voor het menselijk welzijn, en dit zowel op het vlak van voedselvoorziening, bouwmaterialen, als op het vlak van medicatie, verplicht ons tot het zoeken naar bouwwijzen die onderbouwend werken naar biodiversiteit toe en dus naar het bruikbaar maken van het plaatselijk plantaardig materiaal.

Immers heeft etnobotanisch onderzoek aangetoond dat door bouwwijzen te integreren waarbij geen plaatselijke bouwmaterialen worden gebruikt, en dit specifiek voor houtachtige materialen, ‘de kennis van de plaats’ (de ‘genius loci’) verloren gaat. Bij gebrek aan een blijvend culturele vervlechting met de plaatselijke natuur, ontstaat er gemakkelijk een verwaarlozing van het milieu, waardoor volledige ecosystemen en dus een potentieel aan medicinale planten en dieren verdwijnen. Dit onderstreept de waarde van het holistisch denken. Het is namelijk uit de kennis van dit breedschalig onderzoek dat we tot conclusies komen die soms tegen een algemeen aanvaard beeld betreft duurzaam bouwen ingaan. (Bijvoorbeeld het gebruik van bepaalde tropische houtsoorten door de plaatselijke bevolking.) Het holistisch denken is namelijk de voedingsbodem bij uitstek om te komen tot een recent inzicht in wat ‘humaan-ecologisch bouwen’ zou moeten zijn (archetype 2). Een begrip dat van plaats tot plaats en van situatie tot situatie (dus tijdsgebonden) steeds zal moeten worden aangepast. Een wereldbeeld is immers veel ruimer dan ecologie, het houdt namelijk rekening met de absolute onvolmaaktheid van het leven en met de mens als een ‘noodzakelijk niet natuurlijk wezen’.

‘Schoonheid’ in architectuur heeft immers veel te maken met de enorme complexiteit van het leven en van de mens als complex adaptief systeem. Daarom zijn het dus niet zozeer het ontwerp en de vorm van een gebouw die eenvoudig moeten ogen, maar zijn het vooral de bouwwijzen die eenvoud moeten nastreven om aan de bouweconomische eisen te kunnen voldoen. Architectuur moet in die zin poëtisch blijven en gevoelige overgangen creëren. Het minimalisme dat, als hedendaagse architectuurstijl erop uit is alle (menselijke) chaos of dus de zogezegde onvolmaaktheden op te ruimen, mist dus dit belangrijke inzicht.

De essentie nu van de oosterse wereldbeschouwing is het bewustzijn van de eenheid en onderlinge verbondenheid van alle dingen en gebeurtenissen; het feit dat alle verschijnselen van de wereld worden ervaren als manifestaties van een fundamentele eenheid. Het recent natuurkundig wereldbeeld heeft met deze visie vele parallellen. Voor de Indiër komt de wereld tevoorschijn uit het niets. — In de natuurkunde uit een vacuümfluctuatie —. Het oosters wereldbeeld legt de nadruk op de relatie aarde-universum, microkosmos - macrokosmos en op het verband (de overgang) tussen de menswereld en de ideologische wereld. Dit vertaalt zich duidelijk in een architecturaal patroon (archetype 4: ‘vormend - repeterend patroon’), waarbij langs een verticale as de ruimtes met rechte hoeken (de menswereld) zich situeren aan de basis van de as en de ronde structuren (de wereld van het volmaakte en het geestelijke) zich hoger bevinden in relatie met de hemel. — Overigens wijzen deze ronde vormen op het volmaakte van het minimumbeginsel in de natuur (archetype 5: ‘minimaal - optimaal beginsel’) —.

De bijdrage in de natuurkunde die werd geleverd door het formuleren van ‘de kleinste ruimte-actie’ (de fundamentele eenheid waarbinnen alle quantumfysische processen zich voltrekken), bevestigt de oosterse zienswijze. Bovendien past deze bijdrage in het wereldbeeld van de oude Egyptenaar. Ook hier komt de wereld tevoorschijn uit het niets (uit het ‘moeras’) of uit de NOEN, een waterachtige chaotische massa die noch ruimte, noch tijd bezit, waarin alle elementen van de wereld latent aanwezig zijn. — Ook in de natuurkunde kunnen ruimte en tijd slechts bestaan in relatie met energie. — In de voorgestelde ‘kleinste ruimte-actie’ vertegenwoordigt ruimte immers altijd energie. Het is immers deze ‘actie’ die zich sinds het ontstaan van het heelal steeds repeteert als een vast patroon bij elk quantumfysisch proces. Het is met andere woorden een cyclisch gebeuren. De Egyptenaar denkt, net zoals de Indiër overigens, holistisch en realiseert zich dat er bij cyclische bewegingen (bij zon en maan) overgangen nodig zijn. De overgang is echter steeds een zeer broos en zwak moment waarop chaos de orde (Maät) kan bedreigen (archetype 6: ‘samenhorend - contrasterend fenomeen’ in relatie met archetype 3: ‘afwijkend - divers levenswijze’). Daarom moeten in de architectuur de plaatsen van overgang steeds fijngevoelig worden uitgewerkt. Het Oud-Egyptische Maät staat voor wereldorde, maar ook voor ethiek. — Inderdaad, de manier waarop wij architecten er al dan niet in slagen de overgangen te verzorgen, zegt veel over ons inzicht in het begrip ethiek—. Binnen de onzekerheid en de onvolmaaktheid van de overgang ligt namelijk ook het ontstaan van alle leven, van alle ‘anders-zijn’. Bij elke Nijloverstroming wordt bijvoorbeeld de Schepping gevisualiseerd en dit tot binnenin de tempels zelf, wanneer het water de hypostylezalen blank zet (archetype 4: ‘vormend - repeterend patroon’). De vruchtbare oevers die na enige tijd uit het ‘moeras’ tevoorschijn komen, wijzen op de overgang tussen dood en leven. De architectuur staat enerzijds duidelijk in relatie met dit Nijllandschap en de mens en anderzijds met de kosmos en de goden. De architecturale vorm is steeds een gevolg van een totaalbeeld op de werkelijkheid.

In dit hoofdstuk hebben we reeds belangrijke verbanden kunnen leggen tussen de voorgestelde ‘kleinste ruimte- actie’ en het oud wereldbeeld. De archetypische voorwaarden voor architectuur en haar bouwwijzen komen als een logisch gevolg tevoorschijn uit deze inzichten. Immers het energie-ruimte-tijdspatroon, ‘de kleinste ruimte-actie’ (of kleinste minimumbeginsel) (eigenschap 5) bepaalt de grens van de ‘onzekerheid’ (de ingevouwen orde) en legt de waarneembare orde in de natuur vast. Dit maakt de begrippen overgang (eigenschap 3) tussen orde en chaos (eigenschap 6) en regelmaat, ritme en patroon (eigenschap 4) tot de meest fundamentele begrippen in de natuur.

-
Omdat we zo duidelijk verbanden hebben kunnen leggen tussen het wereldbeeld van de oude culturen en de nieuw geformuleerde visie, kan het belang van de afgeleide archetypes voor de hedendaagse architectuur en haar bouwwijzen niet meer worden geloochend: het ‘relatie-begrip’ afwijkend - divers /levenswijze (de overgang) (archetype 3), het vormend - repeterend /patroon (archetype 4), het minimaal - optimaal /beginsel (archetype 5) en het samenhoren - contrasterend /fenomeen (‘de tweelingfenomenen’) (archetype 6). Allen zijn ze het resultaat van holistisch denken, het denken dat op het moment van het levenskrachtig zijn van een bepaalde visie op de wereld, het begrip duurzaamheid bepaalt. Met andere woorden het inzicht in wat in feite duurzaam is, wordt blijvend gestuurd en bepaald door het niveau waarop een cultuur er in slaagt holistisch te denken en naar dit inzicht plaatselijk te handelen.

Een gedetailleerde omschrijving van het begrip duurzaam of humaan - ecologisch bouwen is altijd plaats- en tijdsgebonden; er bestaat dus geen absoltue waarheid betreffende dit archetype.

Wel is het duidelijk dat ons ‘oud wereldbeeld’ getuigt van een groot respect voor de natuur in de ruimste zin van het woord. De oude architectuur is zeer gevoelig ontworpen ten aanzien van het ontstaan van het heelal (het ontstaan van orde en chaos) en ten aanzien van alle patronen die zich sindsdien hebben ontwikkeld. Ook de levende wezens en dus de mens maken deel uit van die natuurlijke wereldorde en van die eenheid. Een heel belangrijk punt hierbij is het feit dat dit oud wereldbeeld alles te maken heeft met een natuurgodsdienst of -religie, gegroeid als een logisch gevolg uit de natuurfenomenen. - Er bestaat overigens geen absolute waarheid die voor iedereen geldig is, maar wel een absolute verbondenheid binnen een oneindig rijke verscheidenheid. - Aan dit inzicht overigens moeten de hedendaagse architectuur en haar bouwwijzen een antwoord geven. Waar de mens religie of godsdienst als een evidentie ervaart, heerst er een evenwichtiger beeld op zijn ruimte-tijdssituatie. Een geopenbaarde godsdienst daarentegen heeft steeds een meer van buitenaf opgelegd (dogmatisch) karakter en de architectuur heeft dan vooral die openbaring moeten bekrachtigen en verzekeren. Maar deze werkwijze heeft stilaan maar zeker tot de ondersteuning geleid voor een fragmentaire benadering van architectuur. Het inzicht, dat architectuur kan ingezet worden om een vooropgesteld doel te dienen, is hierdoor steeds duidelijker geworden. Zo is schoonheid (‘de mooie vorm’) in architectuur en in andere kunsten meer en meer een eigen leven gaan leiden. Vorm is sindsdien maar al te dikwijls geen resultaat meer van een totaalbeeld op de werkelijkheid.

De wil bij de mens, die fungeert als overgang tussen drift en sublimatie, heeft de geschiedenis van onze wereld een heel specifieke richting gegeven. In de bescherming van zijn medemens verlaat hij de harde biologische wetten en geeft hij inhoud aan het begrip ethiek. De architect heeft hier maar al te vlug uit geconcludeerd dat gebouwen de evenwaardigheid (gelijkheid) van alle mensen moeten onderstrepen, terwijl hij vergeten is dat deze evenzeer hun anders-zijn moeten beklemtonen.

Niet alleen binnen eenzelfde stad of land, maar zelfs op wereldschaal begint de architectuur meer en meer op elkaar te gelijken. De kunst is dus een stedenbouw te ontwikkelen waarvan de architectuur een permanente herkenbaarheid behoudt die plaatsgebonden is, terwijl ze tezelfdertijd het vermogen bezit steeds wijzigingen op te nemen. We moeten dus niet alleen terug naar een architectuur die opnieuw gestalte geeft aan de overgang tussen de diverse stedelijke functies, maar ook een architectuur die het verband toont tussen wereldbeeld, levenswijze en bouwwijze.

Zoals zoveel etnologisch onderzoek heeft aangetoond, zien de oude culturen zowel hun woonmilieu als de gehele wereld als een reeks in elkaar passende patronen die elk aan elkaar verwant zijn. Hun wereldbeeld is telkens zo opgebouwd dat er een vefijnde structuur aanwezig is die een verband legt tussen alle schaalniveaus; van het kleinst ‘de fonio’ (het kleinste zaadje of het ‘oerei’) tot de totaliteit. De mens is dan ingeschakeld in een kosmische ordening, waardoor hij zich wel degelijk in ruimte en tijd georiënteerd voelt.

Het nieuw wereldbeeld, waarbij ‘de kleinste ruimte-actie’ te vergelijken is met ‘de fonio’ uit de Dogonkosmologie, bezit ook deze mysterieuze verbondenheid. Deze kleinste quantumfysische gebeurtenis verbindt alles met alles, maar doet ook verscheidenheid ontstaan. Het is, zoals we ze genoemd hebben, ‘de kleinst begrensde hoeveelheid onzekerheid’. De grenzen van deze ‘energie-ruimte-tijdsspiraal’ doen orde ontstaan, de overgang tussen deze grenzen elke vorm van diversiteit. Dit minimumbeginsel (of principe van minimum actie) is dus niet alleen een compacte uitdrukking van een aantal causale wetten, maar geeft werkelijk fundamentele principes weer. (Dit wordt immers ten dele onderbouwd door het nieuwe wereldbeeld dat is ontstaan vanuit de biologie en geformuleerd wordt door de paleobioloog Simon Conway Morris: ‘Evolutie wordt niet zomaar gestuurd door toeval’) Dit invariantieprincipe, waarbinnen alle quantumfysische processen zich voordoen, legt namelijk een verband met de massa van het heelal en met het ontstaan van het heelal. Het is dus het patroon dat alles met alles verbindt en dit wereldbeeld van ‘eenheid in verscheidenheid’ vormgeeft. Daarom is het de nieuwe integrerende factor voor de architectuur en haar bouwwijzen. Door het toepassen van de gegenereerde archetypes, kan er aldus een verantwoorde architectuur ontstaan die opnieuw een zinnig verband aangeeft tussen wereldbeeld, levenswijze en bouwwijze of dus tussen een algemeen geldend wetenschappelijk wereldbeeld, het plaatselijk en persoonlijk religigiegebonden wereldbeeld en de bouwwijze.

Het komt er dus op aan een architectuur te ontwikkelen die de verschillende volken toelaat, uiting te geven aan universele zaken (de vastgelegde archetypes) en deze herkenbaar te maken in hun specifieke bouwtrant, die logischerwijs regiogebonden gegroeid is of zich in die zin kan en moet ontwikkelen. Bovendien moet deze bouwtrant ook ruimte laten voor persoonsgebonden afwijkingen en tijdsgebonden wijizigingen. Het ‘drager-inbouw’ concept en het daarbij aansluitend begrip ‘open-bouwen’, het toepassen van plaats- en maatcoördinatie, flexibiliteit binnen het gebouw, bewerkbaarheid en aanpasbaarheid van de binnen- en buitenwand, zijn allemaal middelen om voldoende vrijheid aan bouwheer en bewoner te garanderen. Maar ook de vrijheid om gebogen vlakken in het plan als in het dakvlak te integreren blijft van kapitaal belang, om de ‘bewoners’ toe te laten zich op een leesbare manier ten opzichte van elkaar sociaal te situeren.

De mogelijkheid in het ontwerp tot variatierijke overgangen naar de hemel heeft eenzelfde fundamenteel karakter; het heeft te maken met het zich kunnen oriënteren binnen de wereld als eenheid, dankzij de subtiele relatie met de (beweging van de ) hemellichamen en de steeds wijzigende weersverschijnselen. Dit roept overigens telkens een specifiek gevoel van geborgenheid op.

We moeten dus evolueren naar een duurzame architectuur en de daarvoor ondersteunende bouwwijzen. Maar ‘duurzaam’ en ‘humaan - ecologisch’ mogen we inderdaad niet reduceren tot energetisch technische oplossingen. -De mate waarin de mens vrij (onvolmaakt en dus anders) is, verantwoordelijkheid draagt en zichzelf kan zijn, kan namelijk even gezondheidsbepalend zijn en dus tenslotte ook energiebesparend werken.-

Dit holistisch onderzoek heeft aangetoond dat duurzaam werken met het toepassen van het geheel van de afgeleide archetypes te maken heeft. Overigens, ook de filosoof Martin Heidegger heeft het in zijn uitdrukking ‘het verschonen van het geviert’ over de relaties hemel - aarde, goden en stervelingen. Hij verwijst ons naar het belang van een wereldbeeld bij het ontwerpen van gebouwen. Zoals Heidegger stelt, moet architectuur er in slagen om enerzijds de essentie van de plek te onthullen en te bewaren en anderzijds het landschap dichterbij te brengen. Het gebruik van plaatsgebonden materialen in het algemeen en meer specifiek van houtachtige materialen in een bouwwijze, kan dit doel helpen bereiken. Deze ontbergen namelijk een stuk plaatselijke geschiedenis. Bovendien verwijzen de plantaardige materialen de mens naar de authenticiteit van zijn bestaan; er zijn namelijk op genetisch vlak verwevingen tussen mensen enplanten. Volgens Heidegger is de techniek immers een bepaalde wijze van ontbergen, die ons moet doen inzien dat het aangewende materiaal de authenticiteit van het menselijk zijn mede ondersteunt en vorm geeft. Zoals we hebben aangetoond kan de toegepaste techniek bij een bouwwijze een wereldbeeld helpen evoceren, door het aanwenden van de inzichten in de minimumbeginsels en in de andere afgeleide universele principes of dus in de afgeleide archetypes. Deze techniek kan bovendien terzefdertijd aan de plaatselijke culturen toelaten zich te ontbergen, door hun streekgebonden materialen integreerbaar en hun plaatselijke vormentaal genereerbaar te maken. — De in dit onderzoek behandelde nieuwe bouwwijze maakt dit juist mogelijk. —

In dit hoofdstuk wordt duidelijk gemaakt hoe de ‘kleinste ruimte-actie’ (of minimumbeginsel in de natuur; het mini-patroon dat zich blijft reflecteren sinds het ontstaan van het heelal) als integrerende factor kan worden gezien voor de ontwikkeliong van een ‘wereldreligie (of natuurgodsdienst) en juist daarom als een wegbereider kan worden beschouwd naar een wereldvrede. Dit is de fundamentele reden waarom we ‘holistische architectuur’ moeten promoten; deze architectuur die kan groeien uit de toepassing van de archetypes en die op deze wijze het nieuw wereldbeeld kenbaar maakt, namelijk: het samengaan van het objectief wereldbeeld (de universeel geldende principes) met het subjectief wereldbeeld zowel de regio- en religiegebonden kenmerken als de persoonlijke uitgangspunten. Zo wordt namelijk op een leesbare en voelbare (gebouwde) wijze een band gelegd tussen alle mensen (eenheid nastreven dus) en tezelfdertijd toch ruimte gemaakt voor hun ‘anders-zijn’ (in verscheidenheid dus door toepassing van de regionale en persoonlijke kenmerken). We hebben immers vooral het onafscheidbare verband leren zien tussen de absolute onvolmaaktheid van het leven enerzijds en het bestaan van een wonderlijke biodiversiteit en verschillen in plaatseljke culturen en persoonlijkheidstructuren anderzijds. Diverse bouwwijzen aan de ene kant en aanpasbaarheid en bewerkbaarheid van de drager dankzij een flexibele inbouw aan de andere kant, zijn dus onmisbaar voor het kunnen ‘bezielen’ of ‘verlijfelijken’ van de gebouwen door de bewoners. Met de stelling Heidegger: ‘het naderen is het wezen van de nabijheid’ wordt nog eens bevestigd hoe belangrijk de overgangen (de drempels) zijn in de architectuur. (orerigens binnen de onvolmaakte overgangs situeert zich de rijkdom van alle leven, met andere woorden alle poëzie.) Binnen dit kader wordt de nieuwe houtskeletbouwwijze ontwikkeld.

-
  • Vanuit de hoek ‘rationalisatie en flexibiliteit’ moeten we weerhouden:
    • Arbeidsintensieve details vermijden.
    • Geen prefabricatie van bouwknopen, maar wel het standaardiseren van situaties van aansluitingen. Met een ‘patroon’ werken kan een oplossing bieden.
    • Flexibiliteit moet in de bouwknoop zelf aanwezig zijn.
    • De bouwknoop moet kunnen ‘bufferen’. (Ook bij relatief grote maatafwijkingen toch nog een vlotte montage kunnen garanderen.)
    • Hij moet meer producten van verschillende producenten kunnen opnemen (= ‘open bouwen’).
    • Een flexibele bouwknoop betekent een ‘open detail’ hanteren, waarbij het vooral om economische redenen belangrijk is dezelfde handelingen te kunnen repeteren.
    • De ontwerpflexibiliteit moet door de ‘openheid’ van de bouwwijze zelf worden bepaald en niet zozeer door het aantal elementen die opgenomen zijn binnen de systeemafspraken. Dit ook betekent dat men eerder moet opteren voor een bouwwijze dan voor een bouwsysteem.
    • De bouwknoop moet een flexibele beslissingscoördinatie mogelijk maken; beslissingen over inbouw moeten immers laat kunnen worden genomen.
    • Het is optimaal als de bouwwijze zowel voor de drager als voor de inbouw toepasbaar is. Ze moet zowel ruimtevormende als ruimtescheidende inbouw mogelijk maken.
    • De ruimtevormende inbouw moet onafhankelijk kunnen worden gemaakt van de drager en dus voor de eigen stabiliteit kunnen instaan.
    • Modulaire maatcoördinatie ten dienste stellen van modulaire plaatscoördinatie.
    • De maten (de doorsnedes) van de gebruikte constructie-elementen zo weinig mogelijk laten variëren (of dit verhoudingsgewijs doen). Voor de hoogtematen van liggers kunnen kleine variaties zinvol zijn omwille van de gevoeligheid van de momentenlijn.
    • De bouwwijze moet zowel uitbreiding, inbreiding (herverdeling van ruimte bijvoorbeeld in relatie met verplaatsbare wanden) en herverkaveling mogelijk maken binnen een bestaande drager (bijvoorbeeld herschikking van wooneenheden binnen twee of meer niveaus).
    • Ze moet zelfbouwgericht zijn en ook demonteerbaarheid toelaten waar het gewenst is.
    • Een gemakkelijke penetratie van leidingen mogelijk maken.
    • De bouwwijze moet vooral de bewerkbaarheid van de wanden mogelijk maken. De wand moet dus aantastbaar zijn of dus de creativiteit van de bewoner stimuleren, zodanig dat zijn woning ‘betekenis’ krijgt en daardoor geschiedenis draagt. De bouwwijze moet dus uitsprongen, insprongen, nisvorming en afwijking van de rechtlijnige vorm mogelijk maken.
    • We moeten dus rekening houden met het feit dat wat in een detail of bouwknoop gebeurt dikwijls sterk architectuurbepalend is.
    • Om economische redenen is het goed in te spelen op een ‘open maat in productie’; voor een groot aantal bouwdelen is het relatief eenvoudig om de maat volgens één van de drie dimensies te laten variëren, wanneer de twee andere vastliggen. De lengtevariatie kan belangrijk zijn omwille van het bufferend vermogen van de bouwknoop.
    • Door boeiende dragers te ontwerpen, waarbij de ‘noodzakelijk gevoelige overgangen’ tendele door een (andere) flexibele bouwwijze worden verzorgd, kan de totale prijs van het gebouw worden gedrukt en kunnen interessante stedenbouwkundige kwaliteiten worden bereikt, waarbij ‘dragers’ opnieuw tekens in het landschap worden met een ‘mentale duurzaamheid’.
    • Wanneer het ‘open-detail’ inspeelt op componentenbouw gekoppeld aan functionele activiteiten, kunnen oplossingen worden geformuleerd voor het prefabriceren of zelfbouwen van wooncellen, zithoekjes, meubilair, enz.

  • Vanuit de hoek ‘houtbouw en flexibiliteit’ moeten we weerhouden:
    • De trek- en druksterkte evenwijdig met de vezels is veel groter dan loodrecht op de vezels. Voor alle houtachtige materialen geldt vanuit anatomisch oogpunt dat ze zich veel beter lenen voor skeletbouw dan voor stapelbouw.
    • Opteren voor een grote gebruikswaarde van de bouwwijze, dan kan de prijs worden gedrukt.
    • De bouwwijze met zoveel mogelijk soorten houtachtige materialen toepasbaar maken; dit omwille van uitstervende houtsoorten, beschermde houtsoorten, soorten die plots niet meer op de markt zijn of te duur zijn geworden. Bovendien hebben we aangetoond hoe belangrijk het is houtachtig materiaal uit de omgeving (dus ook palm en bamboe) te kunnen gebruiken, waardoor de bescherming van de gehele ecotoop wordt gestimuleerd en waardoor de kans op het ontdekken van (nieuwe) medicinale planten maximaal blijft.
    • De cellenstructuur van alle houtachtige soorten vertonen zeer belangrijke verschillen. De bouwwijze moet hier speciaal rekening mee houden.
    • Voor nagenoeg alle houtsoorten geldt dat hun tangentiale werking veel groter is dan hun radiale werking. Dit betekent dat een kleine houtsectie en een vierkantig en rond formaat interessante uitgangspunten kunnen zijn bij het ontwerpen van een nieuwe houtbouwwijze.
    • Materiaalverlies tegengaan kan door stijlen en regels samenstelbaar te maken (in de lengterichting) met mini-vingerlassen en door, bij het aanwenden van plaatmateriaal, de maatcoördinatie te verzorgen tussen regels en plaatmateriaal.
    • Arbeidskosten beperken kan door stijlen en regels in standaardmaten te voorzien, door profileringen te vermijden, door het aantal variaties op samengestelde elementen te beperken en door het maximaal verwisselbaar houden van de elementen. Dit betekent één doorsnede hanteren voor stijlen en regels en waar nodig de standaardstijl en regel te verdubbelen of te verdriedubbelen.
    • Om zowel arbeidskosten, als materiaalkosten, als de belasting op het milieu te beperken, zo weinig mogelijk verbindingsmiddelen en zo eenvoudig mogelijke verbindingstechnieken gebruiken.
    • Omwille van de brandveiligheid bij vrijstaande constructies ook balken met grote doorsneden bruikbaar maken.
    • Het verdient speciaal aandacht om windstijfheid en aardbevingsbestendigheid bij houtskeletbouw in verband te brengen met een humaan-ecologische visie. Dus milieu-onvriendelijk plaatmateriaal vermijden, dure stalen hulpstukken beperken. Ook diagonale versterkingen worden best zoveel mogelijk vermeden om flexibiliteit en dus het begrip drager-inbouw een maximale kans te geven. Ideaal is dus een raamwerk-structuur die op zich reeds voor stabiliteit en vormvastheid instaat.
    • De vrije penetratiemogelijkheid voor isolatie en leidingen doorheen de structuur is een belangrijk pluspunt: flexibiliteit voor het aanbrengen van leidingen heeft een belangrijke invloed op de kostprijs (wanneer er bijvoorbeeld geen groeven of gaten meer dienen geboord door de stijlen en regels) en een doorlopende thermische of akoestische isolatie (zonder onderbrekingen tengevolge van de stijlen) werkt veel efficiënter.


1.9 Wereldbeeld

Zoals we gezien hebben in het hoofdstuk ‘Schoonheid en wereldbeeld toegepast op architectuur en haar bouwwijzen’ (1.3.4) kunnen we een wereldbeeld op diverse manieren opbouwen. In dit onderzoek wordt de rode draad gevormd door ‘het minimumbeginsel in de natuur’. De diepgaande weg die gevolgd wordt moet duidelijk maken hoe fundamenteel de minimumbeginsels in de natuur aanwezig zijn; van bij het begin van het heelal, en welke fascinerende en totale band ze scheppen tussen alles wat is; met name ook tussen de dode materiële vormen en alle levende wezens (de complex adaptieve systemen). Architecten en constructeurs als Frei Otto, Buckminster Fuller en Antonio Gaudi hebben elk hun specifieke rationeel doordachte bouwwijze ontwikkeld, waarbij een belangrijke gemeenschappelijke noemer tot uiting kwam; het minimumbeginsel. De minimaaloppervlakken bij Frei Otto, de ruimtevakwerken bij Buckminster Fuller - waarnaar het C-60 molecuul ‘Buckminster-fullereen’ werd genoemd en de kettinglijnconstructies bij Antonio Gaudi, maken dit overduidelijk. De natuur zelf maakt ons reeds wegwijs in het tot stand komen van optimale vormen en geeft ons aldus een leidraad voor het ontwerpen van zinvolle bouwtechnische constructies. Verrassend is de vaststelling dat er een subtiele sleutel is, die een relatie legt tussen de groei en ontwikkeling van natuurlijke constructies enerzijds en de manier waarop alle levende wezens met elkaar en met hun omgeving communiceren anderzijds, namelijk langs identificatie van regelmatigheden. Deze merkwaardige sleutel blijkt een minimumbeginsel op quantumfysisch niveau te zijn. De subtiliteit ligt in het feit dat zo’n minimumbeginsel zowel verantwoordelijk kan zijn voor een regelmatigheid in de zin van een kleinste werking of actie die een optimale vorm (en beweging) in de natuur doet ontstaan als voor de enorme biodiversiteit van fauna en flora en zelfs voor de verschillen tussen mensenrassen en de verschillen in persoonlijkheidsstructuur. Hieruit blijkt dan ook het kapitaal belang van flexibele bouwwijzen die hiermee rekening kunnen houden. Er kan overigens worden aangetoond dat de mens sterk wordt beïnvloed door zijn omgeving en dat hij onder andere langs fenotypische weg te plotse genetische wijzigingen kan ondergaan. Dit is dan ook het ware belang van de ‘genius loci’. Om deze redenen zijn er grondslagen nodig voor nieuwe bouwwijzen. Uit grondig interdisciplinair onderzoek en uit het inzicht dat een quantumfysisch minimumprincipe een absolute basis vormt, blijkt dat volgende archetypes van onmisbaar belang zijn:

    Op het niveau van het holistisch denken:
  • Respect voor de genius loci
  • Bescherming van medicinale planten (en dieren)
  • Bevorderen van de plaatselijke economie


  • Op het niveau van duurzaamheid:
  • Humaan-ecologisch bouwen
  • Herbruikbare architectuur (culturele duurzaamheid)

  • Op het niveau van de relatie tussen onvolmaaktheid en biodiversiteit:
  • Verfijnde overgangen maken
  • Voor bewerkbaarheid en betekenis zorgen


  • Op het niveau van het steeds terugkerend circulair en cyclisch patroon:
  • Het belang van gebogen vormen
  • Het gebruik van een zich repeterend en betekenisdragend patroon.


  • Op het niveau van de minimumbeginsels:
  • Dankzij de kennis van de minimumbeginsels tot een ideaal krachtenverloop komen in relatie met het specifieke bouwmateriaal en rekening houdend met andere voorwaarden of voordelen van de bouwwjze.


  • Op het niveau van het dualistisch fenomeen orde en chaos:
  • 'Tweelingfenomenen' (contrasten) en dus boeiende variaties met de bouwwijze mogelijk maken.


Samengevat kunnen we dus stellen dat het belangrijk is universele principes, zoals de geldigheid van de minimumbeginsels enz., als onderliggend patroon voor een nieuwe bouwwijze te gebruiken en bij deze bouwwijze cultuurgevoeligheid van de plaatselijke regio integreerbaar te maken, door plaatsgebonden materialen toepasbaar te maken en de mogelijkheid in te bouwen om zowel orthogonale als gebogen vormen te genereren. De minimumbeginsels in de natuur kunnen namelijk verklaard worden door het fenomeen van de fundamentele natuurkrachten (de gravitatiekracht, de elektromagnetische kracht, de sterke kracht en de zwakke kracht) in relatie met het axioma dat de natuur gequantiseerd is. (Enerzijds het bestaan van de constante van Planck als ondeelbare eenheid van de kleinste actie en anderzijds het bestaan van een ‘kleinste ruimte-actie’ (vastgelegd door de auteur) als kleinst mogelijke gebeurtenis.) De minimumprincipes hebben dus ook alles te maken met de behoudswetten of de onveranderlijke dingen in de natuur, zoals het behoud van impulsmoment en dus ook met de kleinste actie zelf. Om het impulsmoment van een lichaam te veranderen hebben we een koppel van tegengestelde krachten nodig. Dit is dan ook het belangrijk verband tussen het ‘hefboomprincipe’ (de behoudswetten) en de minimumbeginsels in de natuur. We zullen dan ook dit hefboomprincipe weerhouden om een nieuwe momentopnemende constructiewijze voor plantaardige materialen te ontwikkelen.

1.10 Wereldbeeldverfijning

  • Uit voorliggend onderzoek en de hierbij aangehaalde bronnen blijkt dat de idee geloofwaardigheid verdient, dat het ontstaan van het heelal gepaard ging met een eerste ‘actie’. Refererend naar de constante van Planck (energie x tijd) als eenheid van actie, zijn voorname wetenschappers het erover eens dat deze constante, die te maken heeft met alle elementaire deeltjes, ook een fundamentele rol moet hebben gespeeld bij het begin van het heelal. Sinds de nieuwe kosmologische ‘inflatietheorie’ van Alan Guth is het ook sterk wetenschappelijk onderbouwd geraakt, dat de massa van het heelal met deze beginactie moet te maken hebben. Deze twee fundamentele uitgangspunten; de constante van Planck en de massa van het heelal, moeten de volgende belangrijke relatie kunnen hebben: wanneer de massa van het heelal samengebald wordt tot op quantumfysische schaal kan, volgens Alan Guth, een ‘onecht vacuum’ ontstaan, waarbij een negatieve of afstotende zwaartekracht, die aanwezig is door de immense overdruk, een zeer elementaire rol speelt:

    Uit de algemene relativiteitstheorie van Albert Einstein bleek reeds dat lege ruimte niet zomaar als leeg mag worden beschouwd, maar in feite staat voor potentiële energie van de zwaartekracht onder de vorm van de ruimtelijke afstanden en dus onder de vorm van gekromde ruimte-tijd. Nu de theorie van Alan Guth geloofwaardigheid krijgt, dankzij recent gecontroleerde kosmische metingen (1), is deze conclusie nog versterkt. In deze kosmologische theorie begint het heelal met een uiterst snelle uitdijing (ver boven de lichtsnelheid) waarbij, naarmate de ruimte toeneemt, de energiedichtheid NIET afneemt. Met andere woorden hoe meer ruimte er is, hoe meer energie (of dus RUIMTE = ENERGIE).
    1. Kosmische metingen gedaan door de COBE-satelliet, gelanceerd op 18 november 1989. De resultaten werden bekendgemaakt op de conferentie van de ‘American Physical Society’ (APS) in Washington op 23 april 1992). Bron: Alan Guth ‘Het uitdijende heelal’ - Wat gebeurde er vóór de oerknal? 1998. Uitgeverij Contact Amsterdam/Antwerpen in samenwerking met Natuur en Techniek, onderdeel van Segment Uitgeverij Beek (L.). Oorspronkelijke titel: ‘The Inflationary Universe.’


  • Deze kleinste mogelijke actie (of gebeurtenis) kunnen we beschouwen als een oerminimumbeginsel dat zich overal in het heelal en door de tijd heen reflecteert (Max Planck suggereerde reeds het bestaan hiervan). (2) Dit beginsel schept een indrukwekkende band tussen alle verdere ‘gebeurtenissen’ binnen de kosmos. Dit is nu precies het verhaal dat we gebruiken om dit wereldbeeld op te bouwen. (3) We kunnen deze ‘kleinste ruimte-actie’ namelijk het best omschrijven als een:

    ‘KLEINST BEGRENSDE HOEVEELHEID ONZEKERHEID’ = h /2.pi.c

    De ‘grens’, die deze kleinste actie vastlegt, doet ORDE ontstaan en dus alle minimumbeginsels, symmetrieprincipes, invariantieprincipes, verborgen symmetrieën, de circulaire en cyclische patronen, tot en met de quantisatie van de ‘elementaire deeltjes’. De ‘hoeveelheid onzekerheid’ laat de overgangen toe tussen alle verschillende fysische toestanden en doet dus CHAOS ontstaan. In feite is elk elementair deeltje een begrensd pakketje overgang binnen de vervaltijd. De overgang heeft dus een maximale en de grens een minimale afmeting.

    Hieruit blijkt reeds het immense aandeel in de natuur van chaos en dus van VARIATIE. Het bestaan van biodiversiteit, de culturele verschillen en de verschillen in persoonlijkheidsstructuur verplichten ons tot FLEXIBILITEIT bij architectuur en haar bouwwijzen.
    2. Een minimumbeginsel slaat ook op een zich herhalend patroon en niet alleen op weinig of minimum; zo’n patroon kan namelijk ook als een maximumbeginsel beschouwd worden.
    3. Uit ons onderzoek bleek dat deze weg zeer zinvol kan zijn. We formuleerden namelijk een ‘ruimte-actie’ die deze twee items (constante van Planck en massaheelal) relateert met de vervaltijden van de ‘elementaire deeltjes’, dit betekent in feite met alle quantumfysische reacties. (Bijvoorbeeld bij fotosynthese, waarbij dus zonlicht ‘stapsgewijs of per kleinste regelmatigheid’ bladgroen doet ontstaan.) We formuleerden dit onder de vorm van

    Nota Bene: om het eenhedenstelsel in evenwicht te brengen mogen we hier het tweede deel van de vergelijking vermenigvuldigen met


    Uit artikel: ‘A phenomenological relation for decay times’. Frans De Medts


  • Om nu echter (dankzij de evolutie) de complex adatieve systemen of alle levende organismen te laten ontstaan, zijn zowel de kleinste actie (regelmatigheid van begrenzing) nodig als de overgangsfazen die de ‘regelmatigheden’ aan elkaar rijgen. Dit oneindig ruim gebied is het gebied van de VARIATIE en dat van de ONVOLMAAKTHEID. Het één is, in de meest absolute zin van het woord, vervlochten met het andere. Variatie en onvolmaaktheid zijn op een uiterst fundamentele wijze in elkaar gebed. (3) Het behoort tot het wezen van elke mens verschillend te zijn; enkel zijn waarheid bestaat en dus zijn poëzie. Het begrip ‘overgang’ is zo fundamenteel aanwezig in de natuur dat het voor de hand ligt en noodzakelijk is dat de ontworpen en gebouwde omgeving rijk is aan VERFIJNDE OVERGANGEN. De mens evolueert ook steeds en verkeert hierdoor permanent in een overgangssituatie. Bouwwijzen moeten daarom het realiseren van SOEPELE OVERGANGEN in de tijd mogelijk maken (aanpasbaarheid), willen ze met deze ‘natuurlijkheid’ rekening houden. 3. Hier wordt wel degelijk ‘onvolmaaktheid’ en niet ‘onvoltooidheid’ bedoeld. Onvoltooidheid sluit de mogelijkheid in het voltooide (‘God’) te bereiken, terwijl de samenleving en elke mens absoluut onvolmaakt zijn. Onvolmaaktheid bepaalt juist het verschil tussen het menselijke en het goddelijke. De mens kan slechts het volmaakte benaderen. Het is de onvolmaaktheid die het anders-zijn toelaat en juist daardoor het leven tot een (rijke) uitdaging maakt.


  • Naast het ontstaan van planten en dieren, komt de mens uit de biologische evolutie tevoorschijn als een zeer uitzonderlijk wezen. Naarmate de tijd vordert, evolueert hij namelijk tot een ‘niet natuurlijk’ complex adaptief systeem (4). Hij weigert de natuurlijke selectie te aanvaarden en groeit steeds verder uit tot een ethisch wezen met een enorme culturele drang. Hij schept een steeds minder natuurlijk landschap en een steeds minder natuurlijk gebouwde omgeving en verstoort hierdoor het evenwicht. Naarmate zijn zelfbewustzijn toeneemt en zijn respect ten aanzien van zijn medemens groeit, kan hij ook niet anders dan een ‘niet-natuurlijke’ weg volgen. Maar dit nu juist is DE uitdaging, want hij is genoodzaakt op deze weg steeds keuzes te maken, initiatief te nemen en verantwoordelijkheid te dragen. Naarmate hij de moed opbrengt te kiezen, komt hij dichter bij zijn ‘doel’ en beantwoordt hij meer en meer aan zijn ingebouwd ethisch gevoel van ‘echt gelukkig worden’. Elke mens wil zelf gelukkig zijn en met dit inzicht voor ogen anderen gelukkig maken. Het is alsof de mens de zin van de schepping en de noodzaak van zijn vrijheid op die manier wil bevestigen. Architectuur, als materialisering van het wezen (de keuzes) van elke mens, moet dus absoluut vrij zijn en dus over flexibele bouwwijzen beschikken. 4. Bodifée Gerard (Dr.): ‘Ruimte voor vrijheid’ In hoofdstuk.12; Humanisering van de Biosfeer, behandelt Dr. Bodifée de mens als een ‘niet natuurlijk wezen’.


  • regelmatigheid, een kleinste patroon of invariantieprincipe (h/2.pi.c ), dat in relatie met de interne variaties op dit patroon geregistreerd en verwerkt kan worden. Dit betekent dat er ook in het menselijk lichaam, bij het waarnemen en dus beleven van de omgeving, een fysieke reactie ontstaat. De mens gaat zich dan anders gedragen en zo langs fenotypische weg tenslotte ook op genotypisch vlak veranderen.

    Het is overduidelijk dat iedereen die te maken heeft met het ontwerpen van de omgeving, een invloedrijke taak te verrichten heeft met een zware verantwoordelijkheid. Dit maakt meteen het belang duidelijk van de FLEXIBILITEIT bij bouwwijzen, om voldoende vrije en regiogevoelige architectuur (volgens de genius loci en met als doel de bescherming van medicinale planten en dieren(5)) te realiseren, opdat bewoners er zich ‘THUIS’ zouden kunnen voelen. Het wereldbeeld maakt daarom een aantal ‘archetypes’ zichtbaar waaraan bouwwijzen moeten beantwoorden om dit doel te bereiken. Om het door de mens verstoorde natuurlijk evenwicht eerst teherstellen en dan verder in de hand te houden, zijn dus duurzame bouwwijzen nodig die humaan-ecologisch doordacht zijn. 5. gif van slangen, schorpioenen en spinnen blijken een geneeskrachtige werking te hebben; (schorpioenengif bijvoorbeeld voor bepaalde hersentumoren)


  • De kennis van het rationeel bouwen is dan zeer nuttig als ondersteuning om dit doel te bereiken . Nu is juist een belangrijk element van onze kennis de manier waarop de fundamentele natuurkrachten op elkaar inwerken en zo de ‘minimumbeginsels’ vormen. Willen we dus rationeel en tezelfdertijd ‘duurzaam’ te werk gaan bij het ontwikkelen van nieuwe bouwwijzen, moeten we de hedendaagse inzichten van rationeel bouwen in verband brengen met de kennis van de minimumbeginsels in de natuur. Dit is nu precies wat we gedaan hebben om tot de nieuwe houtskeletbouwwijze te komen. Hout kan men immers vanuit anatomisch perspectief het best op trek en druk belasten. Wanneer we echter de HOLISTISCHE benadering in aanmerking nemen, lijkt het gebruik van een ‘intelligente’ stijve knoop heel wat specifieke voordelen te bieden. Hierbij maken we gebruik van het voordeel van het hefboomprincipe, door middel van eenmomentoverdragende bouwknoop, waarbij afstand in feite als potentiële energiedrager van de zwaartekracht doorgaat. Met deze bedenking zijn we opnieuw beland bij de aanvang van ons wereldbeeld, waarbij we ons herinneren hoe het ontstaan van het heelal, de inflatietheorie in relatie met de algemene relativiteitstheorie, een zinvolle verklaring gaf voor het gebruikte inzicht dat ‘lege ruimte’ niet niets is, maar wel degelijk als een vorm van energie moet beschouwd worden en dat het ontstaan hiervan gelijktijdig liep met een eerste actie of minimumprincipe, dat zich als een PATROON overal en door de tijd heen zou blijven reflecteren.


1.11 Wereldbeeldschema 1 en 2

2. Nieuwe bouwwijze


Milieu
----------------

Toepassing mogelijk van plaatselijke materialen onder de vorm van kleine secties en takken, waardoor bossen en ecotopen worden gespaard.
Milieu-onvriendelijk plaatmateriaal kan worden gebannen. De bouwwijze ondersteunt de (zo noodzakelijke) biodiversiteit.

Cultuur
----------------

Plaatselijke culturen kunnen dankzij deze bouwwijze deelnemen aan de modernisering (op name van nieuw technisch inzicht) zonder hun eigenheid te verliezen;
Elk plaatselijk materiaal kan worden toegepast en om het even welke (plastische) vorm kan worden gegenereerd.

Kunst
----------------

Omdat contactvlakken in de bouwknoop niet noodzakelijk zijn voor de sterkte, de stabiliteit en de buigstijfheid, ontstaat er een drie-dimentionele vrije vormgeving.
Zo kunnen 'wereldbeeldstructuren' of 'architecturale structuren voor wereldbeeldvorming' worden gecreëerd.

Techniek
----------------

Momentopnemende knopen door kruising van de verbindingsmiddelen in de ruimte, waardoor contactvlakken tussen de onderdelen niet noodzakelijk zijn.
Verbindingsmiddelen: Nagels, schroeven, deuvels en verlijming zijn toepasbaar.
Ook het aanwenden van staal behoort tot de mogelijkheden.

Bouwmechanica
----------------

Bij belasting op de wand in combinatie met windbelasting parallel aan deze wand, komen de grootste buigende momenten en dwarskrachten in de verticalen (stijlen) terecht.
De bouwwijze geeft meer bescherming tegen aardbevingen en windrukken.

Economie
----------------

Door zelfbouwmogelijkheden kunnen plaatselijke economieën worden gestimuleerd.
Dankzij een goed verdeeld krachten verloop in de structuur kan materiaal worden gespaard.

3. Realisaties

4. Publicaties

5. Pers-Kranten / Tijdschriften

6. Onderzoek
  • Bouwwijze toegepast in piramidevormig gebouw: KAHO Aalst
  • Aanplanting van nieuwe boompjes op braakliggend of daarvoor voorzien terrein, om deze na ongeveer 8jaar met deze bouwwijze te te passen. Doel: Bescherming van bossen en bestaande biotopen
  • Toepassing van de bouwwijze met bamboe in Indonesië / Bali




©Copyright 2009 Bregt Leenknegt All Rights Reserved